When It Rains, It Pours: Recente ontwikkelingen in het internationaal strafrecht

ictyBrianne McGonigle Leyh

Internationaal strafrecht heeft de reputatie dat het traag is en dat zo snel vordert als een slak. Zo duurde het bijvoorbeeld tien jaar voordat het Internationaal Strafgerechtshof (ICC) tot zijn eerste uitspraak kwam in de Lubanga zaak, nadat de werkzaamheden in 2002 waren aangevangen. Ook het Internationaal Tribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) staat bekend om haar traagheid; met name omdat een aantal processen zes jaar of langer duurden. Toeschouwers van de tribunalen zijn maar al te bewust van de trage, sporadische ontwikkelingen en ze kijken vaak reikhalzend uit naar de beslissingen. Daarom werd er ook uitgekeken naar maart en april 2016, omdat toen een hoop ontwikkelingen in het internationaal strafrecht plaatsvonden. De Engelse uitdrukking klopt: when it rains, it pours!

Deze ontwikkelingen zijn van belang gezien het feit dat het mandaat van het Joegoslavië-Tribunaal eindigt en haar deuren zullen sluiten. Het ICC begint nu zijn eigen balans te vinden, aangezien het de belangrijkste speler in de wereldwijde strijd tegen de straffeloosheid van massale wreedheden zal zijn. Hoe de internationale gemeenschap, en nog belangrijker de getroffen gemeenschappen, het gewezen ‘recht’ van deze instellingen zal ervaren moet nog worden gezien, aangezien beide tribunalen voorstanders en critici hebben. Het is echter duidelijk dat deze recente juridische ontwikkelingen een grote impact zullen hebben in de komende jaren voor de verdachten, hun slachtoffers en het strafrecht.

Enkele hoogtepunten van de zes beslissingen in de afgelopen weken van het Joegoslavië-Tribunaal en het Internationaal Strafgerechtshof worden hieronder beschreven:

ICTY

Radovan Karadžić

Op 24 maart 2016 heeft het Joegoslavië-Tribunaal Karadžić veroordeeld tot 40 jaar gevangenisstraf voor genocide in Srebrenica, oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid. Als de voormalige president van Republika Srpska en de opperbevelhebber van het Bosnisch-Servische leger tijdens de Bosnische burgeroorlog in de jaren 90, is Karadžić de meest prominente figuur veroordeeld door het Joegoslavië-Tribunaal. Karadžić werd aangeklaagd voor genocide, oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder moord, vervolging, uitroeiing en het gijzelen van VN-soldaten. De belangrijke veroordeling werd ontvangen met gemengde reacties in de regio. Sommigen verwelkomden de rechtvaardigheid terwijl anderen het verketterden als een voorbeeld van de anti-Servische vooringenomenheid van het Joegoslavië-Tribunaal. De verdediging is voornemens in beroep te gaan tegen het vonnis.

Vojislav Šešelj

De beslissing van het Joegoslavië-Tribunaal op 31 maart 2016 maakte een einde aan de omstreden proces tegen Vojislav Šešelj dat een decennium eerder was begonnen. De Aanklager beweerde dat Šešelj individueel strafrechtelijk verantwoordelijk was voor oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid op basis van zijn rol als voorzitter van de Servische Radicale Partij. Hij zou hebben gepleit voor een homogeen ‘Groot-Servië’ op gewelddadige wijze, Servische strijdkrachten hebben aangezet om misdaden te plegen, en deelgenomen hebben aan oorlog propaganda en het aanzetten tot haat jegens niet-Servische personen. Tijdens het proces heeft Šešelj zichzelf verdedigd en gekozen om geen verweer te voeren. Desondanks was het Joegoslavië-Tribunaal van oordeel dat de Aanklager er niet in was geslaagd om hun zaak te bewijzen en sprak Šešelj vrij op alle aanklachten. Deze langverwachte beslissing leidde tot heftige reacties en veel kritiek die draaide om dat het Tribunaal een verkeerde uitleg heeft gegeven aan de gebeurtenissen en Šešelj’s daden daarin. Ondanks het plan van de Aanklager om tegen de vrijspraak in beroep te gaan, is Šešelj campagne aan het voeren in de komende Servische parlementsverkiezingen.

ICC

Er waren maar liefst vier belangrijke recente ontwikkelingen bij het Internationaal Strafgerechtshof, die elk een belangrijke invloed hebben op de wet, procedures en percepties van billijkheid in het internationale strafrecht.

Jean Pierre Bemba-Gombo (Centraal Afrikaanse Republiek)

Op 21 maart 2016, in de vierde berechtingsuitspraak van het Internationaal Strafgerechtshof, hebben drie rechters van de Kamer van berechting III unaniem Jean-Pierre Bemba-Gombo veroordeeld, de voormalige vicepresident van de Democratische Republiek Congo (DRC) en de leider van de rebellenbeweging Mouvement de Liberation du Congo (MLC). Hij werd veroordeeld voor misdrijven tegen de menselijkheid (waaronder moord en verkrachting) en oorlogsmisdaden (waaronder moord, verkrachting en plundering) gepleegd door Bemba’s strijdkrachten in de Centraal-Afrikaanse Repubiek (CAR) van 2002 tot 2003. Bemba is de eerste ‘grote naam’ vervolgd door het Internationaal Strafgerechtshof en de eerste persoon die succesvol is veroordeeld in de vorm van aansprakelijkheid van commando-verantwoordelijkheid. Commando-verantwoordelijkheid maakt het mogelijk voor het Hof om personen verantwoordelijk te stellen voor misdrijven gepleegd door ondergeschikten onder hun effectieve controle, wanneer die persoon wist of had moeten weten dat misdrijven werden gepleegd en nagelaten heeft om maatregelen te nemen ter voorkoming of bestraffing van die misdrijven. Deze zaak is ook belangrijk omdat het de eerste veroordeling is voor seksueel en gender gerelateerd geweld bij het Hof, onder meer met het bewijs van verkrachting van mannen, vrouwen en kinderen. Terwijl er waarschijnlijk beroep zal worden aangetekend in deze zaak, zullen de fasen van strafoplegging en genoegdoening al beginnen. In tegenstelling tot eerdere gevallen van veroordeling door het Hof werd Bemba nooit onvermogend verklaard en een deel van zijn vermogen is bevroren om het beschikbaar te maken voor herstelbetalingen aan slachtoffers.

Dominic Ongwen (Oeganda)

Naar aanleiding van de hoorzitting in januari 2016, werden de zeventig aanklachten van de Aanklager tegen Ongwen bevestigd door het Internationaal Strafgerechtshof op 23 maart. Dit is de eerste zaak in de Oegandese situatie die behandeld wordt door het Internaitonaal Strafgerechtshof. De aanklachten zien op de rol van Ongwen als vermeende voormalig Brigadecommandant van het Verzetsleger van de Heer (LRA), met name van 2002 tot 2005. Hij wordt onder meer aangeklaagd wegens aanvallen gericht tegen de burgerbevolking, moord, marteling, slavernij, en seksueel en gendergerelateerd misdaad. Meer dan tweeduizend slachtoffers willen deelnemen in de procedure. De zaak is opmerkelijk omdat Ongwen zelf als kind naar verluidt werd ontvoerd en geronseld voor het Verzetsleger van de Heer. Zijn status als voormalig kindsoldaat kan gebruikt worden door zijn verdediging of als verzachtende omstandigheid tijdens de strafoplegging bij een veroordeling.

Al Faqi Al Mahdi (Mali)

Op 24 maart 2016, vond de Kamer van vooronderzoek I dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat Al Faqi al Mahdi, voormalig leraar in opleiding en expert in Islamitisch recht, strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de planning en de leiding van de aanvallen in 2012 van al-Qaeda verwant Ansar Dine tegen de mausolea van Timboektoe, 15e-eeuwse historische en culturele heiligdommen, en een moskee. In diezelfde week werd bekend dat hij vorige maand het Internationaal Strafgerechtshof heeft geïnformeerd dat hij schuldig zou pleiten voor één ten laste gelegde oorlogsmisdaad voor het vernietigen of gedeeltelijk vernietigen van historische monumenten. Dit is de eerste keer dat een verdachte zijn of haar voornemen aankondigt om schuldig te pleiten bij het Internationaal Strafgerechtshof. De zaak zal nu worden toegewezen aan een Kamer van berechting, die zal bepalen of het bewijs tegen de verdachte een schuldig pleidooi ondersteunt. Als dit gebeurt, dan zal het meerdere primeurs zijn: de eerste Mali zaak, de eerste bekentenis, en de eerste veroordeling voor het vernietigen van culturele goederen.

William Ruto en Joshua Sang (Kenia)

Ondanks alle bovenstaande ontwikkelen, die belangrijke resultaten voor de Aanklager zijn, heeft de Aanklager een aanzienlijk verlies geleden in de Kenia situatie. Na een ‘motie van geen verdediging’ door de verdediging, heeft de Kamer van berechting V(A) op 5 april 2016 met een meerderheid van 2-1 (Judge Herrera Carbuccia tegen) beslist, dat de zaak tegen de Vicevoorzitter van Kenia, William Samoei Ruto, en journalist, Joshua Arap Sang, wordt beëindigd. De meerderheid vond dat de zaak van de Aanklager te zwak was om te veroordelen door een redelijke Kamer van berechting. Het afwijkend oordeel merkt op dat er problemen waren met intimidatie en interferentie van getuigen. Veel van de getuigen van de Aanklagers werden vermoord of herriepen hun eerdere getuigenis, hoewel er geen bewijs is geleverd dat de verdachten hierbij betrokken waren. Opvallend is dat het beëindigingsbesluit niet nieuwe vervolging in de toekomst uitsluit, ondanks het feit dat als de zaak was doorgegaan de mannen, volgens de meerderheid, zouden worden vrijgesproken. Beroep kan aangetekend worden tegen de beslissing maar het is onwaarschijnlijk dat de Aanklager dat zal doen als het bewijs er simpelweg niet is.

Brianne McGonigle Leyh en Julie Fraser