Logo Universiteit Utrecht

Montaigne Centrum Blog

Blogs

Het verhaal van het recht in een democratische rechtsstaat

Weinig zo klassiek als literatuur. Voor wie in de coronaperiode nog steeds niet toekwam aan het lezen van Dostojevski’s Misdaad en straf (en ook voor andere geïnteresseerden), betoog ik graag waarom verhalen inspiratie bieden voor ons denken over het recht.

Allereerst heeft het recht zelf kenmerken van een literair werk. Rechtsfilosoof Ronald Dworkin beschreef de ontwikkeling van het recht als een kettingroman, waarin opeenvolgende auteurs hoofdstukken toevoegen wanneer zich nieuwe vragen aandienen. Op basis van deze metafoor kunnen we rechtsvorming door de wetgever of rechter begrijpen als het schrijven van een aanvulling op de verhaallijn die is uitgezet in wetgeving en eerdere rechterlijke uitspraken. Aanvullingen zijn nodig, soms omdat zich een geval voordoet dat nog niet was voorzien in het geldende recht, soms vanwege veranderde maatschappelijke opvattingen over wat rechtvaardig is. Voorbeelden van het eerste zijn de juridische vragen die opkomen in verband met technologische ontwikkelingen, zoals big tech en privacy, of grote maatschappelijke uitdagingen, zoals de aanpak van klimaatverandering of de coronacrisis. Interpretatie van recht geeft dan richting aan de vaststelling van wat rechtens is in het nieuwe geval, bijvoorbeeld in hoeverre overheidsbeleid ter voorkoming van klimaatverandering rekening moet houden met de belangen van toekomstige generaties of van burgers van andere landen die effecten ondervinden van dit beleid. In de tweede categorie vallen onderwerpen waarvoor in principe een juridisch kader beschikbaar is, maar dat kader door veranderde opvattingen in de samenleving niet meer goed past. Een voorbeeld betreft de aanpassing van strafbepalingen over verkrachting in verband met de maatschappelijke wens om de dader van onvrijwillige seks eenvoudiger te kunnen bestraffen.

Belangrijke kenmerken van het verhaal van het recht in een democratische rechtsstaat zijn het onderwerp en de verhaalvorm. Thematisch staat de ordening en herordening van de inhoudelijke en institutionele kaders centraal, opdat wordt voorzien in basisbehoeften van veiligheid en zorg en mogelijkheden voor de zelfontplooiing van individuen. De verhaalvorm van de kettingroman is passend, omdat hierin de stabiliteit en continuïteit tot uitdrukking komen van de historisch ontwikkelde juridische kaders – met als fundament de Grondwet – waarbinnen nieuwe regels en uitspraken een plaats krijgen. Tegelijkertijd maakt deze vorm duidelijk dat het verhaal nooit af is, maar de voorlopige uitkomst van een normatief debat dat voortduurt en in haar juridische uitwerking verbonden is met een specifieke samenleving in een specifiek tijdsgewricht.

Voor dat normatieve debat, zo wil ik mijn betoog vervolgen, is het inspirerend om niet alleen het verhaal van het recht als ‘literaire klassieker’ te beschouwen, maar ook open te staan voor inspiratie uit werken die onder de gangbare betekenis van die term vallen: romans. Deze gedachte past bij de wetenschappelijke stroming die zich bezighoudt met de studie van recht en literatuur, in Nederland op de kaart gezet door onder meer Willem Witteveen, Jeanne Gaakeer en Sanne Taekema. Onderzoek op dit vakgebied bekijkt literaire werken met relevantie voor het recht, bijvoorbeeld romans waarin juristen of juridische procedures aan bod komen of die bredere maatschappelijke problematiek met relevantie voor het recht in beeld brengen. Enkele voorbeelden zijn Karakter van Ferdinand Bordewijk, To Kill a Mockingbird van Harper Lee en Disgrace van J.M. Coetzee. Het lezen van deze literatuur stelt de lezer in staat om kennis op te doen van omstandigheden en menselijke motivaties in contexten die soms ver afstaan van de eigen dagelijkse werkelijkheid. Hierdoor komen gezichtspunten in beeld die mogelijk van waarde zijn voor de eigen standpuntbepaling in een maatschappelijk debat, bijvoorbeeld over de complexiteit van bepaalde grote vraagstukken. Daarnaast kan de leeservaring het empathisch vermogen van de lezer ten aanzien van individuen aanspreken, doordat de roman hem of haar uitnodigt zich te verplaatsen in de gevoelens en gedachten van romanpersonages. Tot slot biedt deze literatuur een spiegel voor reflectie op het eigen handelen, waarbij dit voor juristen ook kan gaan om hun professionele handelen als bijvoorbeeld advocaat of rechter.

Interessant met betrekking tot literaire klassiekers is hoe verhalen voor volgende generaties levend kunnen worden gehouden. Tot de internationale canon van recht en literatuur behoren ook Griekse tragedies en toneelstukken van Shakespeare, dat wil zeggen: werken die de tand des tijds over eeuwen of zelfs millennia hebben doorstaan. De 21e-eeuwse lezer die de oorspronkelijke teksten wil doorgronden, heeft talenkennis en historische kennis nodig. Het vraagt daarmee een grote inspanning om het verhaal te doorgronden en zich in te leven in de personages. Opvallend in dit verband is het verschijnen in de afgelopen jaren van een hele rits aan (vooral Engelstalige) romanbewerkingen van de Griekse klassiekers. In een opsomming die niet pretendeert volledig te zijn, noem ik House of Names van Colm Tóibín (hervertelling van de Oresteia) en Song of Achilles van Madeline Miller, The Silence of the Girls van Pat Barker en A Thousand Ships van Natalie Haynes (hervertellingen van de Ilias). Men kan deze bewerkingen zien als een manier om een nieuw publiek op een toegankelijke manier kennis te laten maken met de oude verhalen. Er is echter ook een ander element, dat deze literatuur bijzonder interessant maakt voor de normatieve reflectie op actuele maatschappelijke en juridische kwesties.

Recensenten van de romans van Barker en Haynes hebben deze, net als Miller’s Circe (hervertelling van de Odyssee), gelabeld als feministisch. De verhalen geven invulling en diepgang aan de gedachtewereld van vrouwelijke personages die zich staande houden in een context van geweld en onderdrukking. Deze personages komen in de oorspronkelijke werken slechts als bijfiguren aan bod. Hoewel literaire kritieken over het soms anachronistische karakter van de hervertellingen houtsnijden, geven ze ons krachtige inzichten voor hedendaagse debatten. Ik las al de boeken van Barker en Miller en beide maakten indruk. Barker laat de lezer via de ogen van Briseis, als oorlogsbuit toegewezen aan Achilles, ervaren wat vrouwen te verduren hebben in conflictsituaties waar ze zijn blootgesteld aan mannelijke agressie. Naast een appel ten behoeve van oog en aandacht voor slachtoffers stelt het verhaal de kosten van (mannelijke) zucht naar roem en heldendom aan de kaak. Miller creëert in haar roman een zelfredzame en moedige nimf Circe, die haar eigen weg vindt in een door goden en mannen gedomineerde wereld.

De romans van Barker, Haynes en Miller leveren inspiratie op wanneer we de belevenissen van hun protagonisten relateren aan actuele debatten. Daarbij kan gedacht worden aan de effectieve bestrijding en bestraffing van geweld tegen vrouwen in oorlogssituaties of de vormgeving van strafrechtelijke en institutionele responsen op seksueel grensoverschrijdend gedrag in #metoo-situaties van machtsonevenwicht. De juridische aanpak van deze kwesties is ingewikkeld en diverse aspecten zijn in het normatieve debat nog niet uitgekristalliseerd. Naast procedurele aspecten (vervolging, bewijsvragen) gaat het daarbij om de vraag hoe slachtoffers het beste geholpen kunnen worden en om de garantie van een eerlijk proces voor vermeende daders waar een ‘trial by (social) media’ niet zelden op de loer ligt. Natuurlijk kan literatuur geen concrete, juridische antwoorden op deze vragen geven. Zij biedt echter iets anders en heel belangrijks, zeker in een tijd van maatschappelijke polarisatie en eigenrichting via social media (zoals het ‘cancellen’ van personen).

De genoemde romans laten ons het menselijke in de ander zien, met alle kwetsbaarheid en feilbaarheid die daarbij hoort, en zij benadrukken daarmee voor de rechtsstaat een fundamenteel uitgangspunt: dat van vormgeven aan het samen leven. Aanvullingen in de kettingroman van het recht dienen van die premisse doordrongen te zijn.

Noot van de redactie: deze tekst is een crosspost van Nederland Rechtstaat. Het werd voor het eerst gepubliceerd op 27 juli 2021 en is hier beschikbaar.

Blogposts