Montaigne Centrum Blog

Blogs

Het slachtoffer in de strafbeschikkingsprocedure: ongehoord?

Toen ik van september 2018 tot en met juni 2019 werkzaam was als juridisch medewerker bij Slachtofferhulp Nederland, viel mij op dat bepaalde spreekrechtwaardige delicten worden afgedaan met een strafbeschikking. Op het eerste gezicht lijkt dat onproblematisch, maar dat is slechts schijn. Slachtoffers krijgen op deze manier namelijk geen gelegenheid om het mondelinge spreekrecht uit te oefenen. Dit leidt tot veel onbegrip bij slachtoffers. Het is precies daarom dat ik besloot te onderzoeken of deze werkwijze in overeenstemming is met het recht; eerst als masterscriptie en vervolgens in de vorm van een artikel, dat ik samen met François Kristen in voorbereiding heb. Vanwege de recente berichtgeving over slachtofferrechten in de strafbeschikkingsprocedure licht ik in deze blogpost alvast een tip van de sluier op ten aanzien van dat laatste stuk: het afdoen van spreekrechtwaardige delicten via een strafbeschikking hoeft niet problematisch te zijn, maar als slachtoffers hun spreekrecht mondeling wensen uit te oefenen moeten zij daartoe de gelegenheid krijgen.

Op 16 december jl. heeft de Nationale Ombudsman een brief aan de minister van Justitie en Veiligheid en minister voor Rechtsbescherming verstuurd, waarin meer aandacht wordt gevraagd voor slachtoffers in zaken die worden afgedaan met een strafbeschikking. Bij de strafbeschikkingsprocedure wordt de strafzaak niet door een rechter afgedaan, maar door het Openbaar Ministerie (OM). De Nationale Ombudsman is van mening dat slachtofferbelangen onvoldoende worden gewaarborgd wanneer een strafzaak met een strafbeschikking wordt afgedaan. Tegelijkertijd maakt de oplopende zittingsvoorraad, mede in de hand gewerkt door de coronapandemie, dat in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van de strafbeschikkingsprocedure. Daarnaast worden de zaken die met een strafbeschikking worden afgedaan steeds zwaarder, aldus Robin Fontijne, juridisch beleidsadviseur bij Slachtofferhulp Nederland, in een interview met Trouw. Het gaat dan om zaken waarin slachtoffers spreekrecht hebben, zoals stalking, bedreiging met een mes en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. In een reactie op de brief van de Nationale Ombudsman benadrukt het OM dat sinds 1 december 2021 ‘ernstige spreekrechtwaardige feiten’, zoals ernstige mishandelings- en zedenzaken, als contra-indicatie voor afdoening met een strafbeschikking zijn opgenomen in de Aanwijzing OM-strafbeschikking. Een contra-indicatie belemmert echter niet dat dergelijke zaken in de praktijk alsnog met een strafbeschikking worden afgedaan.

Hoe kan het dat zulke zaken niet standaard voor de rechter belanden? Om antwoord te kunnen geven op die vraag zal ik eerst kort iets moeten zeggen over zowel het spreekrecht als de strafbeschikkingsprocedure. Het spreekrecht biedt slachtoffers de mogelijkheid om tijdens de strafzitting een mondelinge dan wel schriftelijke verklaring af te leggen. Het spreekrecht kan alleen worden uitgeoefend door slachtoffers van bepaalde misdrijven: misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer staat, of specifiek in de wet genoemde spreekrechtwaardige misdrijven (artikel 51e lid 1 Sv). Strafzaken kunnen door de rechter worden afgedaan, maar ook door het OM, bijvoorbeeld met een strafbeschikking (artikel 257a Sv). Strafbeschikkingen kunnen enkel worden uitgevaardigd bij delicten waar een gevangenisstraf van maximaal zes jaar op staat. Afdoening van spreekrechtwaardige delicten via de strafbeschikkingsprocedure lijkt daarmee uitgesloten, want daarvoor geldt, zoals gezegd, als algemene eis dat het een misdrijf moet betreffen bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaar of meer. Op veel van de specifiek in de wet genoemde spreekrechtwaardige misdrijven staat echter een gevangenisstraf van niet meer dan zes jaar. Deze misdrijven vallen dus binnen het bereik van de strafbeschikkingsprocedure. Wel verlangen die spreekrechtwaardige misdrijven dat de verdachte voorafgaand aan het uitvaardigen van de strafbeschikking wordt gehoord op een OM-hoorgesprek (voorheen: OM-hoorzitting of OM-zitting).

De Aanwijzing slachtofferrechten vermeldt tegenwoordig expliciet dat het OM-hoorgesprek niet openbaar is en dat het slachtoffer hier niet bij aanwezig kan zijn. Hier is sprake van een beleidswijziging. Tot 1 december 2021 vermeldde de Aanwijzing slachtofferrechten (vervallen) namelijk slechts impliciet dat het slachtoffer niet aanwezig kon zijn bij het OM-hoorgesprek, en tot 1 mei 2017 vermeldde de Aanwijzing slachtofferzorg (vervallen) nadrukkelijk dat het slachtoffer juist wél door het OM in de gelegenheid moest worden gesteld om aanwezig te zijn. Met deze beleidswijziging is de rol van het slachtoffer tijdens het fysieke OM-hoorgesprek ingeperkt: het slachtoffer heeft alleen de mogelijkheid om het spreekrecht schriftelijk uit te oefenen, en niet mondeling. De vraag rijst wat het OM heeft bewogen tot aanpassing van dit gedeelte van de aanwijzing. Uit openbare bronnen blijkt niet waarom deze aanpassing is doorgevoerd. De Europese richtlijn slachtofferrechten dwingt hier in elk geval niet toe; het regime van de Aanwijzing slachtofferzorg heeft nog bijna anderhalf jaar na het verstrijken van de omzettingstermijn van de richtlijn slachtofferrechten gegolden.

Deze beleidswijziging moet tegen de achtergrond van de werkwijze in de praktijk, de nationale doelen van het spreekrecht en de regeling en de ratio van de Europese richtlijn slachtofferrechten worden geplaatst. Samen met François Kristen heb ik een artikel in voorbereiding waarin wij ingaan op twee vragen: 1) wordt het spreekrecht van slachtoffers wettelijk gewaarborgd bij bepaalde spreekrechtwaardige misdrijven wanneer afdoening van deze delicten plaatsvindt via een strafbeschikking, en 2) wordt bij een dergelijke afdoening voldaan aan de regeling en de ratio van het spreekrecht van de Europese richtlijn slachtofferrechten?

Kort gezegd concluderen wij dat slachtoffers de gelegenheid zouden moeten krijgen om hun spreekrecht mondeling uit te oefenen wanneer zij dat wensen. Bij de huidige afdoeningspraktijk van spreekrechtwaardige delicten met strafbeschikkingen is dit niet het geval, wat afbreuk doet aan de rechten van het slachtoffer. Deze werkwijze kan onder meer in de weg staan aan het (begin van) herstel van de emotionele schade die het delict bij het slachtoffer heeft veroorzaakt en aan de informatievoorziening aan de procesdeelnemers, terwijl dat juist achterliggende redenen voor de invoering van het spreekrecht waren. In het artikel reiken wij twee mogelijke oplossingen aan. Allereerst zou de officier van justitie alsnog kunnen besluiten om te dagvaarden en dus de zaak voor de rechter te brengen. Deze oplossing verdient in onze ogen de voorkeur, omdat bij dagvaarden het spreekrecht kan worden uitgeoefend zoals het door de wetgever is beoogd. Een tweede mogelijkheid is om terug te keren naar de situatie van voor de beleidswijziging en (alleen) bij spreekrechtwaardige delicten die via een strafbeschikking worden afgedaan het slachtoffer in de gelegenheid te stellen om bij het OM-hoorgesprek aanwezig te zijn, bij voorkeur samen met een gemachtigde. Uiteindelijk valt niet één juiste oplossing aan te wijzen en moet worden bekeken waar de specifieke behoeften van het slachtoffer liggen; alleen op die manier kan recht worden gedaan aan het slachtoffer.