De vrederechter of nabijheidsrechter als methode van conflictoplossing

gavel-2492011_1920Eddy Bauw en Ivo Giesen

Politiek en rechterlijke organisatie lijken eensgezind in de wens om het huidige aanbod aan toegankelijke en laagdrempelige rechtspraak uit te breiden. Daarbij is de gedachte dat dit kan bijdragen aan het oplossen van de aan geschillen onderliggende, vaak ‘alledaagse problemen’. Aan de gewenste uitbreiding zijn inmiddels vele benamingen toegekend, zoals ‘Huizen van het recht’ (in een plan van de SP), ‘buurtrechters’ (in het regeerakkoord) en (in experimenten binnen de Rechtspraak) ‘spreekuurrechter’, ‘wijkrechter’, ‘regelrechter’, ‘overlegrechter’, ‘bemiddelingsraadsheer’ en ‘gericht op oplossing’. De minister van Rechtsbescherming wil met een wetsvoorstel voor een ‘Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging’ meer ruimte bieden om hier door middel van experimenten meer inhoudelijk invulling aan te geven. Als ‘lichtend voorbeeld’ wordt in de discussie in Nederland verwezen naar de zogenoemde ‘vrederechter’ zoals deze in Nederland na de Franse overheersing begin 19e eeuw kort, en Frankrijk ook daarna heeft bestaan en in België nog steeds bestaat. Deze blog gaat in op de behoefte aan aanvulling van het huidige stelsel en bespreekt de mogelijke doelstelling en vormgeving daarvan, mede in het licht van de ervaringen met de vrederechter in België.

In de gewenste verandering staan twee elementen centraal: 1) de drempels voor de gang naar de rechter verkleinen en 2) de wens om met rechtspraak problemen van burgers daadwerkelijk op te lossen. Wij nemen deze twee elementen nader onder de loep. Voor het eerste element is het van belang dat het om verschillende drempels kan gaan. De meest bekende en besproken drempel is de financiële: de kosten voor de rechtzoekende. Door bezuinigingen op rechtshulp en het verhogen van de kosten van procederen bij de civiele rechter, de griffierechten, is deze drempel al langere tijd op zijn zachtst gezegd problematisch. Hier valt veel over te zeggen, maar wij volstaan hier met de constatering dat ook voor elke nieuwe laagdrempelige rechterlijke voorziening de financiële toegankelijkheid een wezenlijke randvoorwaarde zal zijn. Er zijn echter ook nog andere drempels die aandacht vragen. Het gaat dan om zaken als geografische nabijheid (waar is de rechter fysiek te vinden?), de formaliteiten voor het aanbrengen van een zaak (hoe breng ik mijn boodschap over aan die rechter?), de begrijpelijkheid van de procedure (wat gebeurt er met mijn zaak?), waaronder de taal die de rechter gebruikt (wat wordt er gezegd?), en de snelheid waarmee de procedure tot een uitkomst leidt (hoe lang duurt het allemaal?). Een gerechtelijke procedure zal door de meeste burgers worden gezien als duur, formeel – en daarmee ook vaak ‘eng’ – en ook nog eens traag, en dat alles schrikt af. Voor bepaalde, in sociaal opzicht ‘zwakkere’ groepen geldt dat des te meer. De afstand van juist deze groepen tot de rechter kan ertoe leiden dat zij met hun problemen blijven zitten, zich niet gehoord voelen en vervolgens weinig vertrouwen meer hebben in ‘het systeem’.

Als wij kijken naar de toegankelijkheid van de huidige eerstelijnsrechter in civiele zaken, de kantonrechter, dan zien wij dat hier in de afgelopen decennia door een aantal ontwikkelingen verandering in is gekomen. De wetgever heeft het door bezuinigingen op de rechtshulp voor mindervermogende partijen moeilijker dan wel onmogelijk gemaakt hun juridisch probleem aan de rechter voor te leggen. Als gevolg van die bezuinigingen is ook de kwaliteit van de rechtshulp onder druk komen te staan. Bovendien is de toegang tot de rechter bemoeilijkt door het in stappen verhogen van de griffierechten. Daarnaast zijn door opeenvolgende reorganisaties van de rechterlijke macht de oude kantongerechten opgeheven en geïntegreerd in de resterende elf rechtbanken, is de competentiegrens voor kantonzaken fors verhoogd (van 5.000 naar 25.000 Euro), en is het aantal fysieke locaties waar recht wordt gesproken, aanzienlijk teruggebracht. De afstand tot de rechter is daarmee in geografische en financiële zin groter geworden. Tevens is het eigen karakter en de werkwijze van de rechter die van oudsher het dichtst bij de burger staat, de kantonrechter,  veranderd, zodat die kantonrechter nog nauwelijks meer te onderscheiden is van de gewone civiele rechter in de rechtbank.

Het tweede element waarop de gewenste verandering is gericht, is de vergroting van het vermogen van de rechterlijke macht om niet alleen het juridische geschil, maar ook de ‘onderliggende problemen’ tussen partijen daadwerkelijk op te lossen. De uitspraak van de rechter beëindigt de rechtszaak (het geschil), maar in een deel van de gevallen is die zaak eigenlijk niet meer dan een uiting van een ander, groter onderliggend probleem tussen de betrokken burgers en/of bedrijven. Dat onderliggende probleem is dan niet automatisch ook opgelost. Het is zowel voor partijen als voor de maatschappij wenselijk als dat wel of in meer zaken wel het geval zou zijn. Het bespaart immers kosten als dat onderliggende probleem niet weer nieuwe conflicten genereert en het vermindert de blijvende impact van dat probleem. Om dit te bereiken, is een aanpak van de zaak nodig die overeenkomsten vertoont met mediation. De rechter zou vaker en effectiever moeten proberen om tot een minnelijk oplossing tussen partijen te komen. In de genoemde experimenten is de aanpak daar dan ook meer op toegesneden dan dat dit in de ‘gewone’ procedure het geval is. Het is echter nog maar de vraag of en hoe de rechter altijd aan deze verwachtingen kan voldoen. Het is bovendien ook niet altijd duidelijk of de uitkomst van zo’n bemiddeling voor alle betrokkenen wel helemaal in de haak is omdat niet iedereen het ‘doenvermogen’ heeft om te beoordelen waar hij of zij nu eigenlijk mee instemt.

De zojuist bedoelde initiatieven zijn erop gericht om de ervaren kloof tussen rechter en rechtzoekende te verkleinen en de rechter beter de werkelijke problemen van rechtzoekenden te laten oplossen. Gesteld dat dat zou kunnen, dan is de vraag uiteraard hoe hieraan dan het beste vorm kan worden gegeven. In dit verband wordt de laatste jaren steevast verwezen naar de eerdergenoemde ‘vrederechter’.

Recent onderzoek van het Montaigne centrum laat zien dat de vrederechter in Frankrijk door een reeks van maatregelen van het toneel is verdwenen, terwijl hij in België nog steeds een belangrijke en gewaardeerde functie vervult. Daarbij valt allereerst op dat – ook al is het aantal locaties in België in 2017 met dertien procent verminderd – de vrederechter op maar liefst 162 locaties is te vinden. En dat op een totaal van elf miljoen inwoners. In Nederland gaat het om 31 zittingslocaties voor de kantonrechter op een totaal van ruim 17 miljoen inwoners. Ook de financiële drempel is in België lager dan in Nederland. Uit een vergelijking van de zittingsaanpak blijkt dat de Belgische vrederechter informeler en oplossingsgerichter te werk gaat dan de Nederlandse kantonrechter. In deze opzichten lijkt de vrederechter dan ook meer aan de door de politiek en rechtspraak geformuleerde doelstellingen te voldoen dan de huidige Nederlandse kantonrechter. Dat geldt nog meer voor de  ‘verzoeningsprocedure’ bij de Belgische vrederechter. Deze procedure is gratis voor partijen, informeel, en kan worden ingeleid door middel van een eenvoudig, zelfs mondeling verzoek bij de rechter. Het verloop van de zitting is informeel en gericht op het bereiken van een oplossing en het neerleggen van een schikking in een proces-verbaal. Juridisering wordt zoveel mogelijk vermeden door in ‘gewone taal’ met partijen te communiceren. De vrederechter beschikt over een lokaal netwerk van overheden en maatschappelijke organisaties, kent de problemen en spreekt de taal van de streek en is in staat om een rol te spelen bij het signaleren van misstanden en het aandragen van meer structurele oplossingen van – aan conflicten onderliggende – maatschappelijke problemen. Hij is in staat om sociaal zwakkere groepen te bereiken en te voorkomen dat deze vervreemden van samenleving en rechtsstaat.

Hoewel de vrederechter daarmee dicht in de buurt lijkt te komen van precies die rechterlijke voorziening waaraan in ons land behoefte lijkt te bestaan, is het niet reëel te verwachten dat het kopiëren van dit model tot dezelfde positieve resultaten zal leiden. De vrederechter staat immers in een historische traditie en is sinds jaar en dag ingebed in de samenleving. Wel kan uit de Belgische ervaring lering worden getrokken en op basis daarvan tot een meer in ons bestaand stelsel passend model worden gekomen. In de diverse hiervoor genoemde experimenten is hiermee al enige ervaring opgedaan. Het is nu zaak deze experimenten grondig te evalueren. Het wetsvoorstel Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging biedt vervolgens de mogelijkheid om aan de hand van deze evaluaties verschillende varianten nader uit te proberen en de gevolgen daarvan in kaart te brengen, alvorens tot landelijke invoering in te gaan.

Bij de vormgeving van zo’n nieuwe rechterlijke voorziening, die wij hier verder ‘nabijheidsrechter’ noemen, moet dus niet worden gedacht aan een verandering van het gehele bestaande stelsel of aan een omvangrijke wetgevingsoperatie. Om te beginnen zou de kantonrechter weer in oude luister moeten worden hersteld en de toegankelijkheid van deze rechter moeten worden verbeterd. Dit betekent concreet meer zittingslocaties, lagere kosten, kantonrechters de gelegenheid bieden om lokaal te opereren, en die rechters meer autonomie geven en (nog) meer scholen in bemiddelingsvaardigheden. Zo kan die nieuwe kantonrechter geleidelijk aan de rol gaan spelen van een echte nabijheidsrechter. Daarnaast moet worden overwogen om een verzoeningsprocedure in te voeren.

Al met al lijkt de vrederechter een goed voorbeeld van een methode van conflictoplossing die én laagdrempelig is én tot daadwerkelijke oplossingen kan leiden. Het is nu zaak om uit de veelheid aan experimenten met rechters die nabij en oplossend zaken aanpakken, die variant te kiezen die het Belgische model het meest benadert, deze variant waar nodig nog nader daarop af te stemmen en dan daarmee, bij wege van proef, te gaan werken. Want het is in ieders belang om snel te ontdekken of de laagdrempelige en conflictoplossende rechter daadwerkelijk te verwezenlijken is en niet slechts een onbereikbaar ideaalplaatje blijkt.

Dit blog is gebaseerd op de bijdrage van de auteurs aan de bundel ‘Naar vernieuwing van de (civiele) rechtspleging’ (Den Haag: Boom Juridisch 2019).

Dit bericht werd geplaatst in Civiele rechtspleging, Conflictoplossing, Innovatie, Vrederechter op door .
Eddy Bauw

Over Eddy Bauw

Het recht kan niet los worden gezien van zijn maatschappelijke functie. Eddy Bauw houdt zich daarom in zijn werk primair bezig met de vraag welke bijdrage het aansprakelijkheidsrecht en de rechtspleging leveren en zouden kunnen leveren aan het functioneren van de samenleving. Het spreekt in deze benadering voor zichzelf dat daarbij juridische inzichten worden gecombineerd met die uit andere wetenschappelijke disciplines. Dit is ook de benadering van de onderzoeksinstituten waaraan hij is verbonden: UCALL, het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law en het Montaigne Centrum voor Rechtspleging en Conflictoplossing.