Doekje voor het bloeden: Over de blijvende problemen in de gefinancierde rechtsbijstand

 antique-bills-business-cash-210600Lisa Ansems en Joep Lindeman       

Minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker trekt eenmalig 73 miljoen euro extra uit voor de sociale advocatuur. De sociale advocatuur of gefinancierde rechtsbijstand maakt rechtshulp toegankelijk voor mindervermogenden, doordat de overheid een deel van de kosten voor rechtsbijstand betaalt. Tot voor kort weigerde de minister geld vrij te maken om de ook door hemzelf erkende problemen binnen het tekortschietende systeem van gefinancierde rechtsbijstand het hoofd te bieden. Naast het eenmalige bedrag dat de minister nu beschikbaar stelt, ziet hij voor de langere termijn de oplossing in het inperken van het aantal zaken waarin in gefinancierde rechtsbijstand wordt voorzien. Een combinatie van maatregelen zou op den duur moeten leiden tot een verhoging van het uurtarief van sociaal advocaten van 10 tot 20 procent. In deze blog betogen wij dat er zowel op de korte als op de langere termijn meer geld nodig is voor de gefinancierde rechtsbijstand, omdat bij het uitblijven van een realistische vergoeding voor sociaal advocaten de bij een rechtsstaat passende kwaliteit van de rechtsbedeling onder druk blijft staan.

Het extra geld dat de minister eenmalig beschikbaar stelt – 36,5 miljoen euro voor 2020 en 2021 – komt nadat daarop vanuit bijna alle denkbare richtingen is aangedrongen: wetenschap, politiek, advocatuur, rechtspraak en Openbaar Ministerie. Vanuit al deze hoeken zijn problemen vastgesteld binnen de gefinancierde rechtsbijstand. Kern van de problematiek is het uurtarief van sociaal advocaten. Advocaten die door de overheid gefinancierde rechtsbijstand verlenen krijgen betaald op basis van een gefixeerd puntensysteem, waarbij één punt voor één uur werk staat dat naar een bepaald uurtarief vergoed wordt. Zeker sinds het kritische rapport van de (door de regering ingestelde!) Commissie-Van der Meer in 2017 is duidelijk dat de tijd die advocaten daadwerkelijk aan zaken besteden “in het geheel niet meer overeenstemt met het toegekende puntenaantal” (p. 161). Er is met andere woorden sprake van scheefgroei. Volgens de commissie-Van der Meer was er 127 miljoen euro extra per jaar nodig om deze recht te trekken.

Om een en ander concreter te maken: voor een Meervoudige Kamer (MK-)zaak in het strafrecht staan acht punten, wat neerkomt op een totale vergoeding van 840 euro. Voor dat bedrag moet de advocaat de zaak inhoudelijk voorbereiden (overleg met cliënt, eventuele collegiale toetsing, schrijven pleitnotities). Ook moet hij of zij de zitting bijwonen en daartoe naar de rechtbank reizen. De vergoeding strekt zich ook uit tot overige (kantoor)kosten (huur, administratieve ondersteuning) en allerlei andere handelingen die binnen zo’n zaak moeten worden verricht, zoals contact met familieleden van de verdachte en zeer regelmatig wachttijd bij de rechtbank in geval van uitloop. Reiskosten worden doorgaans niet kostendekkend vergoed. Reistijd wordt pas vergoed als de af te leggen afstand (enkele reis) groter is dan 60 km. Voor een bezoek van een halfuurtje aan een cliënt die in het huis van bewaring zit, moet een advocaat meerdere uren uittrekken: de huizen van bewaring liggen binnen die straal van 60 km toch vaak afgelegen en de procedure om naar binnen te komen is tijdrovend. Die uren worden allemaal niet vergoed. Pas als advocaten kunnen aantonen dat zij méér dan 24 uur kwijt zijn aan één MK-zaak, komen ze in aanmerking voor een vergoeding die uitgaat boven de 8 punten. Kortom: een advocaat wordt geacht zonder morren 24 uren te werken voor een dikke 800 euro (dat is grofweg 35 euro per uur). De lat voor een aanvullende vergoeding ligt bovendien hoog: wij kennen voorbeelden van advocaten die in zaken met een kast vol ordners en meerdere zittingsdagen nog steeds geen aanvullende vergoeding krijgen.

Sociaal advocaten verrichten kortom voor een belangrijk deel onbetaald werk. Zij doen dit vanuit de intrinsieke motivatie om bij te dragen aan een kwalitatief hoogstaande rechtsbedeling die past binnen een democratische rechtstaat. Vaak kunnen zij hun praktijk slechts draaiende houden wanneer daar een aantal goed betalende cliënten tegenover staat. Zo subsidieert niet alleen de overheid, maar ook in belangrijke mate de advocatuur zelf de gefinancierde rechtsbijstand.

De rechtsbijstand staat daarin overigens niet alleen. In het onderwijs er bijvoorbeeld ook lang niet altijd sprake van ‘loon naar werken’. Gevolg: een lerarentekort in het basisonderwijs. Binnen de sociale advocatuur beginnen de gevolgen van de scheefgroei inmiddels ook duidelijk te worden: steeds minder jonge advocaten betreden de sociale advocatuur en degenen die wel gefinancierde rechtsbijstand bieden, hebben vaak veel te weinig tijd om hun werk goed te kunnen doen. Zoals toenmalig staatssecretaris Fred Teeven in een interview in 2017 zei: “Als je aan een advocaat niet al te veel tijd geeft om aan een verdachte te besteden, dan wordt het ook niet zo veel, die verdediging.” En inderdaad: onlangs gaf een advocaat, met verwijzing naar Teeven, nog aan de zaken gewoon niet meer aan te nemen. Adequate juridische bijstand vormt een van de fundamenten van de rechtsstaat, die met de problemen binnen de sociale advocatuur dus flink onder druk staat. Zeker in zaken waarin de overheid tegenpartij is – en dat is het geval in 60 procent van de zaken waarin gefinancierde rechtsbijstand aan de orde is – is het belangrijk dat een advocaat tegenwicht kan bieden. Dat dient niet alleen het belang van individuen bij rechtsbescherming, maar ook het publieke belang bij controle op overheidshandelen.

Daar komt bij dat de penibele toestand waarin de sociale advocatuur zich bevindt niet alle burgers evenzeer raakt: het zijn de mindervermogenden die hieronder lijden. In sommige gevallen (asielzaken, strafzaken) betekent dit dat een groot deel van de rechtszoekenden geraakt wordt: het zijn vaak de mindervermogenden die in die procedures betrokken raken. In bijvoorbeeld familierechtelijke procedures (echtscheidingen) kan het tot ongelijkheid leiden tussen partijen. In ieder geval heeft de situatie het risico in zich dat de kloof tussen arm en rijk in Nederland groter wordt.

Om op termijn de problemen binnen de sociale advocatuur het hoofd te bieden, stelt de minister een herziening voor van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand langs een aantal lijnen, waaronder een menselijker handelende overheid waardoor procedures zouden kunnen worden voorkomen, triage aan de voorkant waarbij een onafhankelijke instantie beslist welke zaken wel en welke zaken niet in aanmerking komen voor gefinancierde rechtshulp, en vergoeding voor oplossingen in plaats van vergoedingen voor procederen. Verder zal worden gewerkt met (door o.a. verzekeraars aan te bieden) rechtshulppakketten, waarbij problemen worden behandeld tegen een vooraf bepaalde prijs. Ook zouden meer stagiaires en paralegals moeten worden ingezet en zouden commerciële kantoren een deel van de rechtshulp aan mindervermogenden voor hun rekening moeten nemen.

Sommige van deze plannen lijken op het eerste oog niet onsympathiek. Voor meer probleemoplossend vermogen en een menselijker handelende overheid, waarmee mogelijk procedures worden voorkomen, valt zeker iets te zeggen. Fundamentele onderdelen van de rechtsstaat als de gefinancierde rechtsbijstand mogen daardoor echter niet te veel afkalven. Bij het door Dekker voorgestane systeem van door commerciële partijen (verzekeringsmaatschappijen) geregisseerde probleemoplossing ligt bijvoorbeeld het levensgrote risico van perverterende marktwerking op de loer. Wat voor rechtshulp iemand krijgt, wordt dan overgelaten aan de wetten van vraag en aanbod, in plaats van aan een publieke instelling.

Bovendien kwam in het Kamerdebat over de Justitiebegroting aan de orde dat de plannen van de minister slecht onderbouwd zijn en dat de aannames die daarin worden gedaan niet zijn getoetst. Ook Dekker zelf lijkt de onzekerheid van de gehoopte besparingen te erkennen wanneer hij in datzelfde Kamerdebat zegt: “Op een aantal punten zal het misschien niet lukken. Dan moeten we nieuwe maatregelen nemen. Op een aantal punten zal het misschien wel lukken.” Vooruitlopend op de besparingen die hij hoopt te bereiken weigert de minister dus om op structurele basis meer geld beschikbaar te stellen, ervan uitgaande dat dit niet nodig zal zijn vanwege de stelselherziening, terwijl maar moet worden afgewacht of deze stelselherziening inderdaad de gehoopte besparing oplevert. Ook de route die de minister kiest is opmerkelijk: eerst de plannen in de praktijk brengen en daarna pas een wetsvoorstel hierover voorleggen aan de Tweede Kamer. De reden is bekend – twee eerdere pogingen om het voorstel door de Kamer te krijgen faalden – maar vanuit democratisch oogpunt vallen er vraagtekens bij te plaatsen.

Als de stelselherziening van de minister al succesvol blijkt te zijn, is het bovendien maar zeer de vraag of  de 10 tot 20 procent stijging van de uurlonen van sociaal advocaten die de minister hiermee hoopt te bereiken voldoende zal zijn om de kwaliteit van rechtsbijstand te kunnen waarborgen. De minister onderbouwt zijn hypothese zelf in ieder geval nauwelijks. Datzelfde geldt voor de stijging van het uurtarief van 108,57 euro per punt naar 121,50 euro per punt (waarvan sociaal advocaten netto maar een klein deel overhouden), die met het extra geld dat de minister de komende twee jaar vrijmaakt wordt gerealiseerd. Dit extra geld is dan ook niet meer dan een doekje voor het bloeden. Daar komt bij dat het een sigaar uit eigen doos betreft, nu een deel van het geld afkomstig is uit het niet volledig uitgegeven budget voor gefinancierde rechtsbijstand. Een deel van de advocaten is dan ook van plan om onder de hashtag #ikpiketnogsteedsniet de eerder geplande en later afgelaste staking begin 2020 toch door te laten gaan.

Het is inderdaad te hopen dat de minister niet alleen op de korte maar ook op de lange termijn zorgt voor geld en een systeem waarin adequate rechtsbijstand voor alle mindervermogenden toegankelijk is. Met uitlatingen als “Je moet je niet te veel laten afleiden door wat mensen op Twitter zeggen” en “Ik ben niet getrouwd met Van der Meer” heeft de minister zich tot nu toe niet erg responsief getoond. Bovendien zet hij, zonder steekhoudende argumenten, op nogal onbehouwen wijze een aantal zeer gerespecteerde professionals weg. Het is tijd dat Dekker de zorgen – die niet alleen vanuit de advocatuur zelf maar ook vanuit allerlei andere hoeken zijn geuit – serieus neemt. Het is tijd dat hij laat zien écht voor rechtsbescherming te gaan!

Deze blog is een uitgebreidere versie van een opiniestuk dat op 21 november 2019 verscheen in het Nederlands Dagblad en dat werd geschreven door Lisa Ansems, Joep Lindeman en Alrik de Haas.