Klimaatrechtszaakfobie

Blog TimTim Bleeker

Volkskrant-columnist Martin Sommer is naar eigen zeggen banger voor Milieudefensie dan voor klimaatverandering. Dat is opmerkelijk, want in tegenstelling tot klimaatverandering veroorzaakt Milieudefensie geen hittegolven, zeespiegelstijging en schade aan ecosystemen. Milieudefensie wil via de rechter de klimaatimpact van oliebedrijven zoals Shell reduceren. Eerder stapte stichting Urgenda naar de rechter om het Nederlandse klimaatbeleid te laten toetsen. Deze klimaatorganisaties menen dat er nú actie nodig is, om gevaarlijke klimaatverandering in de toekomst te voorkomen.

Waarom zou iemand zo bang zijn voor klimaatrechtszaken? Sommer lijkt te geloven dat de toekomst (nog) te onzeker is voor ingrijpende klimaatmaatregelen. Bovendien meent hij dat het klimaatdebat niet thuishoort in de rechtszaal. Sommer is niet de eerste of de enige met deze bezwaren. Jurist Lucas Bergkamp verkondigt al sinds het verschijnen van het Urgenda-vonnis een vergelijkbaar geluid. Het is daarom hoog tijd voor een reactie op deze klimaatrechtszaakfobie.

Het toekomstbeeld van klimaatorganisaties

Sommer wordt naar eigen zeggen zenuwachtig doordat procederende klimaatorganisaties ‘weten hoe de toekomst zal verlopen’. ‘Maar in een open samenleving, is de toekomst per definitie vrij’, vervolgt Sommer, en het probleem is dat ‘wie de toekomst in pacht heeft, geen liefhebber [is] van de open samenleving’. Om dat kracht bij te zetten, wijst hij erop dat ‘alle autoritaire en totalitaire bewegingen [al] weten hoe het afloopt’.

Ter onderbouwing van zijn angst verwijst Sommer naar de kritiek op toekomstbeelden van de filosoof Karl Popper. Sommer vertelt er echter niet bij, dat de kritiek van Popper is gericht op de ‘historicistische doctrine’ van sociale en politieke analyse. Historicisten zoals Hegel (die van de ‘uil van Minerva’) en Marx (die van de klassenstrijd) trachten historische voorspellingen te doen op basis van de sociale wetmatigheden die achter de geschiedenis schuil gaan. Popper gelooft niet in dergelijke wetmatigheden en vreest dat de daarop gebaseerde toekomstvoorspellingen het democratische beslissingsproces onder druk zetten en leiden tot totalitarisme.

De kritiek van Popper is maar beperkt van toepassing op klimaatbeleid. Het toekomstbeeld dat ten grondslag ligt aan de klimaatvorderingen is niet gebaseerd op (onbetrouwbare) sociale wetmatigheden, maar op de klimaatwetenschappelijk gezien gegronde vrees dat er te weinig gebeurt om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. We wéten dat de aarde onbewoonbaar wordt als we te veel broeikasgassen uitstoten. De reductiedoelstellingen zijn dus historicistisch noch totalitair, maar simpelweg een erkenning van natuur- en scheikundige wetmatigheden. Dat klimaatbeleid ook een politieke dimensie heeft, doet daar niet aan af.

Oftewel, het moge zo zijn dat totalitaire regimes toekomstbeelden gebruiken om repressief handelen te rechtvaardigen, maar dat betekent natuurlijk niet dat het verkondigen van een toekomstbeeld noodzakelijkerwijs samenvalt met totalitaire inborst. De toekomst is niet altijd zo vrij en open als Sommer doet geloven. De biljarter weet al voordat hij de bal stoot in welke richting de bal zal rollen. Dat maakt de biljarter natuurlijk nog geen fascist of communist; hij snapt simpelweg de gevolgen van zijn handeling.

De ene klimaatzaak is de andere niet

Vervolgens rijst de vraag of het klimaatdebat thuishoort in de rechtszaal. Sommer meent van niet. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij naar een Amerikaanse klimaatzaak. In deze rechtszaak stellen Oakland en San Francisco een vijftal grote oliebedrijven aansprakelijk voor hun historische aandeel in klimaatverandering. De Californische steden eisen herstelbetalingen voor de maatregelen die ze moeten nemen in verband met klimaatverandering, zoals het verhogen van dijken. De Amerikaanse rechter meent dat dit een politieke kwestie is, en wijst de vordering af.

Het oordeel van de Amerikaanse rechter heeft geen betekenis voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, want de taakverdeling tussen de rechterlijke en wetgevende macht is een nationale aangelegenheid. Maar nog belangrijker, de vergelijking tussen de Californische en de Nederlandse klimaatzaken is scheef; in Nederland wordt namelijk geen schadevergoeding maar een rechterlijk bevel gevorderd. De vraag naar de schadeplichtigheid van (olie)bedrijven op grond van hun historische bijdrage aan broeikasgasemissies, is veel ingewikkelder (en politiek gezien aanzienlijk gevoeliger) dan de vraag of bedrijven een rechtsplicht hebben om toekomstige uitstoot te reduceren. Wie een schadevergoeding eist, moet bewijzen dat de geleden schade het gevolg is van de onrechtmatige gedraging van de ander. Voor dat type aansprakelijkheid gelden (terecht) hogere eisen met betrekking tot causaliteit, verwijtbaarheid en onrechtmatigheid ten aanzien van het vermeende schadelijke handelen van de oliebedrijven. Kortom, de ene klimaatzaak is de andere niet.

Snel veranderende opvattingen

Sommer gebruikt de Californische klimaatzaak ook om te illustreren dat de opvattingen omtrent klimaatverandering snel kunnen veranderen. De Amerikaanse rechter zou namelijk overwogen hebben dat de vooruitgang en welvaart van twee eeuwen zijn aangedreven door fossiele brandstoffen, en dat men zich tien jaar geleden nog zorgen maakte om een tekort aan olie. Op het eerste gezicht staat de stemmingswisseling in schril contrast met het verwijt dat de oliemaatschappijen in de klimaatzaken gemaakt worden. Maar hier zijn in ieder geval drie argumenten tegenin te brengen.

Ten eerste is al meerdere decennia bekend dat de mens invloed heeft op de opwarming van de aarde, en dat die opwarming gevaarlijke gevolgen kan hebben. Het uitblijven van politieke actie is mede te wijten aan de lobby vanuit de fossiele industrie.

Ten tweede, maatschappelijke opvattingen en juridische normering kunnen nu eenmaal snel veranderen. Vijftien jaar geleden mocht je nog roken in een café, en zo’n tien jaar geleden werd je voor gek verklaard als je geen aflossingsvrije hypotheek nam. Anders gezegd: een stemmingswisseling kan ook het gevolg zijn van voortschrijdend inzicht.

Maar belangrijker nog is – in het verlengde van de vorige paragraaf – dat het voor de Nederlandse klimaatzaken niet relevant is hoe we tien of 200 jaar geleden dachten over klimaatverandering. Milieudefensie en Urgenda vragen om een rechterlijk bevel; en bij dit type vordering moet de rechter in het licht van de huidige stand van klimaatwetenschappelijke kennis en de huidige juridische en maatschappelijke opvattingen vaststellen of er een rechtsplicht bestaat voor oliebedrijven of overheden om de broeikasgasuitstoot te reduceren. Over de betamelijkheid of onrechtmatigheid van de historische emissies hoeft de Nederlandse rechter zich – in tegenstelling tot zijn Amerikaanse collega – niet uit te laten.

Mensenrechten en klimaatverandering

Ten slotte, is het nou echt zo’n raar idee dat de uitstoot van broeikasgassen een mensenrechtenkwestie is? Bij klimaatverandering staan er immers onvoorstelbaar veel mensenlevens op het spel (om nog maar te zwijgen over de kwaliteit van leven van een nog veel grotere groep). De eerste klimaatdoden zijn al gevallen, en alles wijst erop dat het er nog veel meer zullen worden. Niet alleen het Hof Den Haag, maar bijvoorbeeld ook het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties meent dat klimaatverandering een serieuze bedreiging is voor het recht op leven (General Comment no. 36, par. 62).

Het lag dus in de lijn der verwachting dat Milieudefensie de rechter vraagt te beoordelen hoe sterk dat recht op leven is van deze en toekomstige generaties, en hoe het recht zich verhoudt tot andere publieke waarden en belangen. Die vraag laat ook toe dat een juridische discussie gevoerd wordt over de vraag of (olie)bedrijven recht hebben op onbeperkte broeikasgasuitstoot. De rechtszaal is een goede plek voor de klimaatdebat, want daar worden de verschillende standpunten in openbaarheid verdedigd, zijn er tal van processuele waarborgen, en wordt de knoop doorgehakt door een onafhankelijk persoon. De onvoorspelbaarheid van de toekomst en onvoorziene technologische ontwikkelingen staan de juridische discussie niet in de weg. Urgenda en Milieudefensie eisen immers alleen een bepaald percentage emissiereductie, maar schrijven geen middelen voor. Hoe de emissiereductiedoelen gerealiseerd worden, kan al naar gelang op een open en democratisch verantwoorde wijze worden bepaald. Het is nog ‘gewoon’ de politiek die bepaalt of kerncentrales moeten worden gesloten, er CO2-heffingen komen, of – zoals Sommer verwijzend naar Diederik Samsom suggereert – dat we massaal onze CV-ketel van de muur moeten trekken.

Het klimaatdebat in de democratische rechtsstaat

De discussie over de verhouding tussen de rechter en de politiek is nog lang niet beslecht, maar het standpunt dat de rechter niets zou moeten zeggen over klimaatverandering is onhoudbaar. In de juridische literatuur verschillen de meningen over hoe ingrijpend de rechter het klimaatbeleid mag toetsen, en welke invulling gegeven kan worden aan klimaatrechten en -plichten. Maar klimaatverandering heeft onmiskenbaar een juridische dimensie.

In een democratische rechtsstaat ‘beschikken we samen over de toekomst’, en is de overheid gebonden aan het recht. De angst voor Milieudefensie en Urgenda is wat dat betreft misplaatst: dankzij dit soort processen kunnen rechters erop toezien dat de democratische oplossing voor klimaatverandering wordt gezocht binnen de grenzen van het rechtstatelijke.