Constructief strafrecht

 Lisa Ansems

lisa blogHet is een tegenwoordig veelgehoorde kreet: Nederlandse rechters straffen te soft. Er zou te weinig nadruk liggen op vergelding en te veel op (re)socialisering van veroordeelden. Dit sentiment is recentelijk ook beschreven door Henri Beunders in een interessant opiniestuk in de NRC. Na een rondgang door het strafrecht constateert Beunders dat we in een zero tolerance-samenleving leven, waarin empathie en het gevoel voor de menselijke maat zijn verdwenen ten faveure van de roep om vergelding en zwaardere straffen. In deze blog betoog ik dat, hoewel vergelding een inherent doel is van het strafrecht, de samenleving daarbij uiteindelijk minder gebaat is dan bij een meer constructieve invulling van het strafrecht met voldoende aandacht voor (re)socialisering.

Het strafrecht kent immers naast vergelding nog andere doelen, waaronder algemene preventie (het afschrikken van potentiële wetsovertreders) en speciale preventie (het voorkomen dat een veroordeelde opnieuw een strafbaar feit pleegt). De dalende criminaliteit suggereert dat het Nederlandse strafrechtssysteem effectief is of in ieder geval dat er (momenteel) geen noodzaak is tot strenger straffen met het oog op het voorkomen van toekomstige criminaliteit. Voor algemene preventie geldt verder dat dit het mensbeeld van de homo economicus veronderstelt, die een rationele afweging maakt van de kosten en baten van het plegen van een delict, terwijl die veronderstelling lang niet voor alle (typen) delicten opgaat. Denk bijvoorbeeld aan een (poging tot) doodslag, waarin iemand in een emotionele opwelling handelt, of een uit de hand gelopen vechtpartij.

Ook wat betreft speciale preventie is het de vraag hoeveel zwaarder straffen, met name het opleggen van (lange) gevangenisstraffen, daaraan bijdraagt. In dat licht is het relevant om te kijken naar de recidive onder ex-gedetineerden. Die is, hoewel tegenwoordig licht dalend, nog altijd erg hoog. Onderzoek naar de effecten van gevangenisstraf op bijvoorbeeld recidive is ingewikkeld, omdat dergelijke causale vragen idealiter met een experimentele onderzoeksopzet zouden moeten worden onderzocht maar daar vanzelfsprekend ethische bezwaren aan kleven. Men kan immers moeilijk verdachten random toewijzen aan een experimentele groep, die gevangenisstraf krijgt opgelegd, of een controlegroep, die geen of een alternatieve straf krijgt opgelegd, om vervolgens de verschillen qua recidive tussen de groepen te bekijken. Toch is het door het gebruik van bepaalde statistische technieken mogelijk om hier iets over te zeggen. Nieuwbeerta e.a. hebben dat in 2007 gedaan en kwamen tot de conclusie dat gevangenisstraf recidive in de hand lijkt te werken: verdachten die een gevangenisstraf opgelegd kregen recidiveerden vaker dan verdachten die geen of een andere straf kregen, ook wanneer rekening werd gehouden met het gegeven dat degenen die tot gevangenisstraf worden veroordeeld op voorhand al een grotere kans hebben om te recidiveren. De oorzaak van dit criminogene effect van gevangenisstraf kan op basis van dit onderzoek niet met zekerheid worden vastgesteld, maar de onderzoekers achten het niet onwaarschijnlijk dat het verliezen van baan, huis en partner hierbij een rol speelt.

Recent vervolgonderzoek werpt nader licht op de nadelige gevolgen van gevangenisstraf wat betreft woning en werk. Zo beschrijven Wensveen e.a. dat gedetineerden na hun detentie veel minder vaak vaste huisvesting hebben, terwijl een goede huisvesting als voorwaarde voor resocialisatie wordt gezien. Ook een (snelle) overgang naar werk wordt in dit kader van belang geacht, terwijl dit blijkens onderzoek van Ramakers e.a. juist voor ex-gedetineerden moeilijk kan zijn, onder meer doordat hun strafblad werkgevers kan afschrikken en wettelijke drempels kan opwerpen voor werken in bepaalde sectoren. Met name gevangenisstraffen van langer dan zes maanden lijken een negatief effect op het vinden van een baan te hebben. Vervolgonderzoek heeft bovendien aangetoond dat langere gevangenisstraffen niet leiden tot minder recidive dan kortere gevangenisstraffen.

De moeilijkheden waar ex-gedetineerden tegen aanlopen zijn vanuit een insider-perspectief beschreven door Hugo Bergveen in zijn boek “Woning, werk en wederhelft” (2017), het respectvollere en genderneutrale equivalent van “woning, werk en wijf”, de drie W’s die van belang worden geacht bij het op het rechte pad houden van veroordeelden. Bergveen belicht de problemen na detentie waar veel ex-gedetineerden mee te maken krijgen, zowel in praktisch opzicht (het vinden van een woning en werk, het aanvragen van een uitkering, het afsluiten van verzekeringen) als in sociaal opzicht (het verliezen van voeling met de maatschappij). Wat betreft dit laatste punt gaat het zowel om het vervreemden van het eigen sociale netwerk als om het vervreemden van de maatschappij als geheel, waarin ontwikkelingen immers in rap tempo plaatsvinden (denk bijvoorbeeld aan de digitalisering en de vluchtelingencrisis). Dit geldt ook voor gedetineerden die op de hoogte proberen te blijven via kranten, radio en tv, want “vanuit de bajes lijkt het alsof je naar een aquarium kijkt” (Bergveen 2017, p. 78). Bergveen wijst erop dat deze praktische en sociale problemen recidive in de hand kunnen werken.

De problemen die Bergveen beschrijft, kwamen ook naar voren in mijn eigen onderzoek, waarin ik 100 verdachten in politierechterzaken heb geïnterviewd over de door hen ervaren (on)rechtvaardigheid tijdens hun strafzitting. Veel verdachten gaven aan zich rechtvaardig behandeld te voelen, doordat de rechter rekening hield met de gevolgen van de straf en om die reden bijvoorbeeld een taakstraf oplegde in plaats van een gevangenisstraf. Zoals een van hen het verwoordde: “Dan hou je gewoon je huis en je baan en dat ik niet weer helemaal opnieuw moet beginnen als [ik] vast [kom] te zitten (…), want dan raak je gewoon alles weer kwijt.” Een andere interviewdeelnemer wees erop dat gevangenisstraf zoveel problemen met zich mee zou brengen dat zijn behandeltraject in gevaar zou komen.

Gelet op al deze aanwijzingen voor schadelijke gevolgen van (gevangenis)straffen zou men al met al kunnen spreken van “destructief strafrecht”, strafrecht dat dingen kapotmaakt. Dat het ook anders kan, leert bijvoorbeeld een blik over de grens. Met name in de Verenigde Staten en in Australië is de laatste decennia problem-solving justice opgekomen, waarbij wordt beoogd om de onderliggende problemen op te lossen die maken dat mensen voor de rechter moeten verschijnen. Dat gebeurt bijvoorbeeld door problem-solving courts, zoals drug courts in het strafrecht, waarin bestraffing wordt gecombineerd met behandeling (onder rechterlijk toezicht) van de verslaving die aan het criminele gedrag ten grondslag ligt, zodat het met de verslaving samenhangende criminele gedrag in de toekomst wordt voorkomen.

In Nederland zijn er (nog) geen problem-solving courts, maar ook hier is er steeds meer aandacht voor het oplossen van het onderliggende conflict in rechtszaken. Voor het strafrecht kan worden gedacht aan mediation in strafzaken, waar de afgelopen jaren ervaring mee is opgedaan in de vorm van pilots. Uit de evaluatie van deze pilots blijkt dat de meerderheid van zowel de deelnemende slachtoffers als daders tevreden is over de mediation en er wordt gewezen op de mogelijke winst op het gebied van recidive. Ook kan worden gedacht aan de opkomende vraag naar strafrecht als optimum (in plaats van ultimum) remedium, dat wil zeggen: “een aanpak die het best bijdraagt aan het oplossen van maatschappelijke problemen”, onder andere door samenwerking met bijvoorbeeld zorginstellingen.

Dit is geen pleidooi voor het zonder meer invoeren van problem-solving courts in Nederland (wat immers zijn eigen vragen met zich meebrengt en nader onderzoek vergt). Wel heb ik geprobeerd te laten zien dat er ook andere, voor veroordeelden en voor de samenleving meer constructieve manieren zijn om naar het strafrecht te kijken. Hoewel vergelding een inherent doel is van het strafrecht en het rechtsgebied in die zin zijn naam eer aandoet, hoort een invulling van het strafrecht waarbij er voldoende aandacht is voor zinvol en toekomstgericht straffen nadrukkelijk ook bij de publieke functie van het strafrecht, juist met het oog op preventie en bescherming van de samenleving. Uiteindelijk is het aan de rechter om, zoals eigen is aan zijn functie, hier een passende afweging tussen te maken, en mijn indruk is dat Nederlandse strafrechters dat heel behoorlijk doen.

Deze blog is een bewerking van een blog die eerder verscheen op de website Ivoren Toga als reactie op een blog van Dato Steenhuis, waarin hij de straftoemeting door Nederlandse rechters bekritiseert.

Dit bericht werd geplaatst in Problem-solving justice, Resocialisatie, Strafrecht en getagged met , , op door .
Lisa Ansems

Over Lisa Ansems

‘Lisa Ansems is sinds december 2016 als promovenda verbonden aan het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging. Zij is werkzaam op de afdeling Staatsrecht, Bestuursrecht en Rechtstheorie. Haar onderzoek richt zich op de ervaringen van verdachten in strafzaken. Meer specifiek ligt de focus op ervaren procedurele rechtvaardigheid (dat wil zeggen: de mate waarin verdachten zich eerlijk behandeld voelen door de rechter) en de relatie met vertrouwen in het strafrechtssysteem onder verdachten, waargenomen legitimiteit van het strafrechtssysteem, en wetsnaleving. Het betreft een empirisch-juridisch onderzoek, waarbij gebruik wordt gemaakt van interviews, een survey en een veldexperiment. Het onderzoek wordt begeleid door prof. Kees van den Bos en prof. Elaine Mak en wordt gefinancierd vanuit een NWO Onderzoekstalentsubsidie.’