De Wet Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad: een succesverhaal

Ivo Giesen

De ‘Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad’ (hierna: Wpv) maakt het voor de civiele feitenrechter (rechtbank en hof) mogelijk om gedurende een civiele procedure en alvorens daarin een einduitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. In het recent verschenen boek ´De Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad´ wordt de werking van de Wpv in het civiele recht geëvalueerd. Daarnaast is onderzocht of het mogelijk is om deze procedure ook in het strafrecht in te voeren. Op grond van een literatuurstudie en interviews met betrokkenen bij de procedure, is geconcludeerd dat de Wpv in het civiele recht een onverdeeld succes is en invoering in het strafrecht opportuun is. De Minister van Veiligheid en Justitie gaf in zijn reactie aan het Parlement  aan dat hij de conclusie van het rapport onderstreept en de aanbevelingen overneemt. Hieronder behandelen wij de belangrijkste bevindingen van het genoemde onderzoek naar het functioneren van de prejudiciëlevraagprocedure in het civiele recht. Hoewel de betrokkenen bij de regeling (zéér) positief zijn over de regeling, sluiten we af met enkele kritische(re) noten.


Het succes van de regeling

Dat de Wpv een onverdeeld succes is blijkt alleen al uit het feit dat de Wpv door alle hoofdrolspelers wordt verwelkomd. De Hoge Raad en het Parket voorop: ‘Ik maak reclame voor de regeling, ja. Absoluut’, zo vertrouwde een A-G ons toe. En, zoals we hieronder ook zullen benoemen, zien de geïnterviewde raadsheren bij de Hoge Raad op vele fronten een meerwaarde in het instrument. Eén raadsheer liet zelfs optekenen dat het werk in prejudiciële zaken ‘in zekere zin leuker is’. De houding van de Hoge Raad en het Parket is bovendien een belangrijke succesfactor voor de Wpv. Het bureau wordt vrijwel letterlijk ‘schoongeveegd’ om prejudiciële vragen met voorrang te behandelen. Bovendien hanteert de Hoge Raad omwille van de toegankelijkheid van de regeling, vooralsnog niet een al te strikte ontvankelijkheidstoets. Hij ziet prejudiciële vragen graag komen en wil feitenrechters niet ontmoedigen in het stellen van vragen.

 

Ook feitenrechters verwelkomen de Wpv. Deze rechters denken proactief na over mogelijk te stellen vragen, ze bespreken in verschillende overlegstructuren vragen waarin zij in hun dagelijkse praktijk tegenaan (zouden kunnen) lopen en ze bekijken de wenselijkheid en mogelijkheid om, wanneer zich een geschikte procedure aandient, een prejudiciële vraag te stellen.

 

En ten slotte wordt de behoefte aan duidelijkheid aan de kant van civiele procespartijen bevredigd: zij betrekken de regeling regelmatig bij hun processtrategie, bijvoorbeeld door procedures al vanaf aanvang op te zetten als een prejudiciële vraagprocedure. Daarbij zijn zij vooral te spreken over de snelheid waarmee de procedure wordt gevoerd en de duidelijkheid die de prejudiciële beslissing in hun procedure en voor het betrokken veld heeft verschaft.

 Dit roept de vraag op waarom de Wpv zo’n succes is; waarom zijn de direct betrokkenen zo enthousiast? We bespreken hierna twee belangrijke redenen (voor een uitvoeriger analyse verwijzen we naar het rapport).

Rechtsvorming

Allereerst wordt de prejudiciële procedure door de betrokkenen een prachtig instrument voor rechtsvorming genoemd; de regeling heeft meerwaarde ten opzichte van alternatieve rechtsvormende instrumenten, zoals de reguliere cassatieprocedure, sprongcassatie of cassatie in het belang der wet. Zo vindt een raadsheer de antwoorden in de zaken over ‘kosten van huurbemiddeling, bewijsbeslag bij niet-IE-zaken, telefoonabonnementen en de alleenstaande ouderkop heel mooie antwoorden, waarvan het maar de vraag is of deze antwoorden op gelijke wijze hadden kunnen worden gegeven, als men had moeten wachten op de traditionele wijze.’ ‘Prejudicieel kan veel’, voegde de desbetreffende raadsheer nog toe.

Deze rechtsvormende meerwaarde van de prejudiciële procedure is gelegen in verschillende elementen. Ten eerste is belangrijk dat in prejudiciëlevraagprocedures rechtsvragen in een ‘zuivere vorm’ worden voorgelegd aan de Hoge Raad. De rechtsvragen zijn ‘ontdaan van de ruis’ die bij normale cassatieprocedures meestal wel aanwezig is. Daarnaast zou de prejudiciële route meerwaarde hebben omdat de Hoge Raad in een prejudiciële vraagprocedure minder gemakkelijk kan ‘duiken’. Voorts heeft de regeling de toegang tot de Hoge Raad vergroot. Uiteraard is niet zeker of een deel van dezelfde zaken niet ook op enig moment langs reguliere weg bij de Hoge Raad zouden zijn gekomen, maar veel van de betreffende zaken zijn er nu in elk geval eerder gekomen, terwijl andere zaken sowieso de Hoge Raad niet zouden hebben kunnen bereiken (vanwege de appèlgrens in combinatie met de beperkte cassatiegronden van art. 80 RO). Volgens verschillende geïnterviewden is dit (die vroegtijdigheid) bij het merendeel van de gestelde vragen het geval.

Rechtszekerheid en -eenheid

Ten tweede blijkt de Wpv een goed instrument om rechtseenheid en rechtszekerheid te bereiken. Wij noteerden onder andere: ‘De hele faillissementspraktijk weet waar die aan toe is’, en ‘het antwoord van de Hoge Raad is zeker van belang voor de andere 750 procedures die destijds liepen over deze materie’. Daarnaast blijkt dat zaken, soms vele zaken, worden aangehouden door feitenrechters in afwachting van een antwoord op een (door een andere rechter in een andere procedure) gestelde vraag. Het aanhouden en pas beslissen van zaken nadat het antwoord verkregen is, komt de uniforme rechtstoepassing ten goede.

Tot nu toe hebben we besproken dat men met name positief is over de regeling. Er zijn evenwel ook  kritische noten gekraakt, waarvan we enkele hierna bespreken (zie voor andere punten van kritiek het Ucall-rappport).

Te veel vragen; shut the floodgates?

Volgens sommige geïnterviewden zou er op termijn een moment kunnen komen dat er te veel vragen naar de Hoge Raad gaan. Gegeven dehuidige inrichting van de cassatiepraktijk en -capaciteit kunnen er op dit moment maximaal tien vragen (aldus een A-G) versneld behandeld worden, maar ook dan zou ‘het raderwerk’ waarschijnlijk al stilvallen en zou de versnelde afhandeling ten koste gaan van het ‘gewone’ werk. We hebben overigens geen concrete signalen opgevangen dat de organisatorische grenzen op dit moment daadwerkelijk zijn bereikt of in zicht komen. Vooralsnog is er dus geen noodzaak tot actie, maar is het zaak wél oog te hebben voor dit mogelijke effect. Mocht op enig moment de toestroom van vragen toch te groot worden dan kan de Hoge Raad beslissen om bepaalde vragen iets lager te prioriteren en minder snel te behandelen. Eveneens kan men strenger worden bij het in behandeling nemen van de vragen.

Weg met de cassatieadvocaat?

Diverse geïnterviewden vragen zich af wat de toegevoegde waarde van de verplichte tussenkomst van een cassatieadvocaat is. De input van die cassatieadvocaat zou niet per se nodig zijn (kennis van de techniek van cassatie is niet per se nodig, het betreft immers een andere procedure). Bovendien kunnen de kosten van een cassatieadvocaat, aldus sommige geïnterviewden, voor partijen een drempel opwerpen om zich uit te laten bij de Hoge Raad. Hierop valt evenwel af te dingen dat het kostenaspect niet wezenlijk anders ligt als de procesadvocaat in de feitelijke instantie de vraagprocedure zou begeleiden in plaats van een cassatieadvocaat (en deze procesadvocaat zijn of haar uren tegen een gelijksoortig tarief zal doorrekenen). Sommige respondenten (niet alleen cassatieadvocaten), vooral op het niveau van de Hoge Raad, zien wél een meerwaarde van een verplicht in te zetten cassatieadvocaat omdat die weet wat de Hoge Raad wil weten qua toelichting op een zaak. We concluderen in het rapport op grond daarvan dat het in de rede ligt om de rol en positie van de cassatieadvocatuur onveranderd te laten.

Wie betaalt? 

Onder de huidige regeling dragen partijen de kosten voor een prejudiciële gang naar de Hoge Raad, terwijl de gehele maatschappij profiteert van de beantwoording van een prejudiciële vraag en de rechtsvorming en/of rechtszekerheid en rechtseenheid die daarmee in beginsel gepaard gaat. Zou, zo vragen sommige geïnterviewden zich af, de maatschappij (lees: de belastingbetaler) dan ook niet de kosten moeten dragen? Vanuit de rechterlijke macht (met name uit de omgeving van de Hoge Raad) wordt terughoudend gereageerd, terwijl de advocatuur iets enthousiaster lijkt te zijn. Een rechter: ‘ik zie niet in dat partijen de kosten niet zouden moeten dragen. Zeker niet als het antwoord van belang is in hun procedure.’ In een reguliere cassatieprocedure betaalt een procespartij ook voor de uitkomst, zo wordt gesteld. Daarnaast, zo stellen tegenstanders, wordt in een prejudiciële procedure geen griffierecht geheven: dat scheelt al aanzienlijk in de kosten. Tegen het voorgaande valt in te brengen dat de rechter ambtshalve (en dat ook in de ruime meerderheid van de gevallen doet) een vraag kan stellen, met alle kosten van dien als partijen (besluiten te) participeren in die gang naar de Hoge Raad. Een partij kan evenwel afzien van het meedoen aan de vraagprocedure bij de Hoge Raad, en omdat het om zaaksoverstijgende vragen gaat, is de inbreng van de procespartijen ook minder noodzakelijk. Daarnaast kunnen partijen hun input geven bij de vraagstellende rechter, die het vervolgens op kan nemen in zijn vonnis, waardoor hun visie alsnog bij de Hoge Raad terecht komt. Desalniettemin is het onzes inziens bezwaarlijk dat partijen door het kostenaspect worden ontmoedigd om in de eigen procedure hun zegje te doen. Gegeven het doel van de Wpv (te kort gezegd: tijdig vragen bij de Hoge Raad krijgen die anders niet of te laat aldaar zouden geraken) ligt het wat ons betreft in de rede om de kosten van dat publieke belang niet enkel bij de toevallige procespartijen te laten rusten. Het ligt dus voor de hand om een regeling (een fonds of een tegemoetkoming in de proceskosten) te bedenken voor de door partijen gerechtvaardigd gemaakte kosten.

Ten slotte

De evaluatie van de civielrechtelijke regeling leidt tot de conclusie dat de wet een succesverhaal kan worden genoemd: de regeling stimuleert de rechtsvorming, de rechtseenheid en de rechtszekerheid. Bovendien wordt de regeling benut door betrokkenen in het veld, geeft de werking van het instrument nauwelijks aanleiding tot problemen en heeft de regeling meerwaarde ten opzichte van alternatieve rechtsvormende instrumenten, zoals cassatie in het belang der wet. De knelpunten die naar voren zijn gekomen zijn niet onoverkomelijk. Wat ons betreft kan de Wpv dan ook met recht een succesverhaal worden genoemd.

  1. Giesen en E.R. de Jong

(Deze Blog is gebaseerd op het onderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van het voornoemde rapport; een ruimere samenvatting daarvan zal in het themanummer over Prejudiciële vragen van het NTBR verschijnen, in december 2016)

Dit bericht werd geplaatst in Algemeen, De rechter, Instituties, Procedures & Procedurele Rechtvaardigheid op door .
Ivo Giesen

Over Ivo Giesen

Ivo Giesen is hoogleraar Privaatrecht, in het bijzonder aansprakelijkheidsrecht en burgerlijk procesrecht, aan de Universiteit Utrecht en programmaleider van het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law. Zijn werk is een zoektocht naar creatieve oplossingen voor hedendaagse maatschappelijke problemen binnen het aansprakelijkheids- en procesrecht, gefundeerd op het geldende recht, maar altijd naar buiten kijkend (interne rechtsvergelijking, externe rechtsvergelijking, psychologie, sociologie, economie, etc.) om inspiratie op te doen, en daarbij zonder aarzeling (oude) grenzen overschrijdend waar nodig.