Rechterlijke onafhankelijkheid voorlopig gehecht

ehrmLeonie van Lent

Zoals het een centrum van onderzoek naar rechtspleging betaamt, zijn in eerdere blogs al prangende vragen over de kwaliteit van de rechtsstaat en het functioneren van de rechterlijke macht de revue gepasseerd. Als er een onderwerp is waarin de hedendaagse pijnpunten van de Nederlandse rechtsstaat samenkomen, is het wel de voorlopige hechtenis. Hier werken het politieke veiligheidsdenken, het politiseren van de rechtsstatelijke waarborgen (Alex Brenninkmeijer, ‘Stresstest rechtsstaat Nederland’, NJB 2015, afl. 16, p. 1049), en publieke opinie op een bijzonder pijnlijke manier in op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die kritische toetsing en de onschuldpresumptie moet waarborgen.

Natuurlijk, de voorlopige hechtenis is nooit een rustig bezit geweest, en dat moet de vrijheidsbeneming van een persoon wiens schuld aan een strafbaar feit nog niet is vastgesteld ook vooral niet worden. Het is dan ook terecht en van groot belang dat de voorlopige hechtenis voortdurend in de onderzoeksbelangstelling staat. Door fundamenteel onderzoek dat de betekenis van de onschuldpresumptie in dit verband bevraagt, en door empirisch onderzoek dat alternatieven in kaart brengt en toepassing daarvan onderzoekt. Beide worden ook binnen het Montaigne Centrum uitgevoerd.

Maar er is in Nederland meer aan de hand met de voorlopige hechtenis en ook al veel langer dan de recente kritische analyse van de rechtsstaat. Het pijnlijkste vraagstuk betreft de taakvervulling door de rechterlijke macht. Al vele jaren is de literatuur zeer kritisch over de Nederlandse praktijk van voorlopige hechtenis, onder meer in het licht van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake het recht op vrijheid van artikel 5 EVRM. Het EHRM heeft in een reeks arresten de beginselen van het voorarrest uiteengezet. En twee daarvan kennen in de Nederlandse praktijk een twijfelachtige naleving: (1) het uitgangspunt dat de verdachte zijn berechting in vrijheid mag afwachten, en in het verlengde daarvan de verplichting om alternatieven voor vrijheidsbeneming te onderzoeken, en (2) het vereiste van een concrete, individuele redengeving van de beslissing tot (voortzetten van) vrijheidsbeneming waarbij uitdrukkelijk het strafmaximum en de te verwachten straf niet op zichzelf redengevend mogen zijn. Vorderingen tot voorlopige hechtenis door het Openbaar Ministerie worden in de regel toegewezen en de motivering van de beslissing tot voorlopige hechtenis is niet veel meer dan het ‘aanvinken’ van de meest toepasselijke wettelijke grond(en) van voorlopige hechtenis. Dit heeft geleid tot het hoogste percentage voorlopig gehechten op de totale populatie gedetineerden in Europa. Dat van deze beperkte motivering inzake de twaalfjaarsgrond (Art. 67a lid 2 sub 1 Sv) in Straatsburg geen heet hangijzer wordt gemaakt als de termijn van de voorlopige hechtenis (relatief) kort is en de wetgeving een ruime rechterlijke controle vereist (EHRM 5 juli 2007, appl.nos. 28831/04 en 43701/04 (Kanzi t. Nederland en Hendriks t. Nederland), heeft het gevoel van onbehagen over de wijze waarop de Nederlandse rechter de voorlopige hechtenis beoordeelt niet kunnen wegnemen. En terecht, zo blijkt uit de recente uitspraak van het EHRM in de zaak Geisterfer t. Nederland (EHRM 9 december 2014,  appl.no. 15911/08). De toepassing van de voorlopige hechtenis in deze zaak was gebaseerd op een combinatie van de twaalfjaarsgrond, de recidivegrond en de onderzoeksgrond. Weliswaar werd de voorlopige hechtenis na drie maanden onder voorwaarden geschorst omdat het onderzoek ter terechtzitting was uitgesteld in verband met de medische conditie van de medeverdachte, maar de raadkamer gaf wel aan dat de gronden voor de voorlopige hechtenis nog altijd aanwezig waren. De raadkamer bepaalde eveneens dat het anticipatiegebod geen aanleiding gaf tot opheffing. Dit oordeel werd nadien tweemaal herhaald: in reactie op een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis vier maanden later en in reactie op ditzelfde verzoek gedaan ter terechtzitting. Vervolgens de klager opnieuw in voorlopige hechtenis werd genomen. Het feit dat zich geen verstoring van de openbare orde had voorgedaan in de maanden dat de klager zich op vrije voeten bevond, werd door raadkamer en rechtbank niet gezien als argument voor een ander oordeel over het voortbestaan van de twaalfjaarsgrond. Het EHRM herhaalt dat sociale onrust, ontstaan door strafbare feiten van een bijzondere ernst, in uitzonderlijke gevallen tijdelijk voorarrest kan rechtvaardigen. Deze grond kan alleen worden ingezet op basis van feiten die leiden tot het oordeel dat invrijheidstelling daadwerkelijk sociale onrust zal veroorzaken. Daarnaast is het voortzetten van het voorarrest alleen legitiem als het risico van een verstoring van de openbare orde aanwezig blijft. De noodzaak om het voorarrest voort te zetten kan dus niet alleen worden beoordeeld op het abstracte niveau van de ernst van de feiten. Dit is waarop de zaak Geisterfer t. Nederland strandt: het EHRM concludeert dat de rechtbank aan de ernst van de feiten zodanig gewicht heeft toegekend bij de toepassing van de voorlopige hechtenis dat andere omstandigheden niet werden meegewogen. Bij het afwijzen van de verzoeken tot opheffing werd alleen aandacht besteed aan de ernst van de feiten en het belang van het OM bij voorlopige hechtenis; of de openbare orde in gevaar was, dan wel of er een andere reden was waarom vrijheidsbeneming moest plaatsvinden, is niet aan de orde geweest.

Hiermee geeft het EHRM de kern weer van een rechterlijke praktijk, zoals eerder al door drie Rotterdamse rechters in een belangrijk artikel aan de kaak wordt gesteld (Janssen, Van den Emster en Trotman, ‘Strafrechters over de praktijk van de voorlopige hechtenis. Een oordeel van de werkvloer!’, Strafblad december 2013, p. 430-444). Zij bestempelen de rol van de rechterlijke macht als de laatste schakel in de veiligheidsketen in plaats van een onafhankelijk toetsende staatsmacht. Laag voor laag ontmaskeren zij de voorlopige-hechtenispraktijk als een reactie op het maatschappelijke gevaar van criminaliteit. Deze praktijk is echter gegroeid op basis van de wettelijke regeling die strekt tot het opleggen van restricties aan de voorlopige hechtenis en die gronden geeft welke overeenkomen met de Straatsburgse jurisprudentie. De wetgever heeft uiteraard het zijne bijgedragen aan de dominantie van strafdoelen in de voorlopige hechtenis, maar de reeds bestaande traditie van een ‘efficiënte koekjesfabriek’ heeft de wetgever een gemakkelijke ingang geboden de voorlopige hechtenis uit te breiden tot minder ernstige misdrijven, waardoor de drempel van het ‘geval’ betekenis heeft verloren. In de invulling van de gronden van de voorlopige hechtenis is te zien dat het veiligheidsdenken in de rechterlijke toets zelf is doorgedrongen; de drie rechters laten van iedere grond zien hoezeer daarin de (abstracte) ernst van het feit en het mijden van veiligheidsrisico’s dominant is. De laatste stap in dit proces is de introductie in de wet van de snelrechtgrond voor voorlopige hechtenis per 1 januari 2015, waarin het punitieve doel van de voorlopige hechtenis onversluierd voorop is gesteld (direct na het plegen van het feit moet de verdachte de strafrechtelijke reactie ervaren om hem en de samenleving te laten zien dat dit gedrag onaanvaardbaar is) en de rechter een inhoudelijke toetsingsmogelijkheid wordt ontnomen (Zie Milly Haveman & Leonie van Lent, ‘Vastzetten om het vastzitten. Evaluatie van het concept-wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis’, AA februari 2012, p. 97-98). Daarnaast is een belangrijk probleem dat de opeenvolgende rechters een eerdere rechterlijke beslissing in de regel niet aantasten en daarmee betekenis ontnemen aan het wettelijk systeem van rechterlijke controle op de voorlopige hechtenis. Als eenmaal ‘ernstige bezwaren’ zijn aangenomen, dan blijft deze beslissing verder in stand, en ook de perverse uitwerking van het anticipatiegebod is ruimschoots bekend: de straf die de voorlopige-hechtenisrechter met zijn beslissing zegt te verwachten, wordt door de zittingsrechter opgelegd. Daarmee wordt niet alleen gehandeld in strijd met het EHRM-verbod om voorlopige hechtenis op te leggen vooruitlopend op de oplegging van een gevangenisstraf (Geisterfer t. Nederland, EHRM 9 december 2014,  appl.no. 15911/08), ook wordt het doel van het anticipatiegebod onderuit gehaald. Hierdoor verschuift het oordeel over de strafoplegging naar voren, naar een fase in het strafproces waarin de onschuldpresumptie bestraffing verbiedt en onvoldoende bewijs voorhanden is.

Hoezeer in deze efficiency-georiënteerde traditie de (vermeende) publieke opinie en het politiek beleid de rechterlijke onafhankelijkheid raken, blijkt uit een radio-interview van 7 mei 2015 (Radio 1) over de enorme toename van het bedrag dat aan schadevergoeding voor onterecht ondergane voorlopige hechtenis wordt uitgekeerd – de kosten van de koekjesfabriek zogezegd.[1] In het programma kreeg eerst advocaat Van Oosten het woord over wat er mis is met de Nederlandse praktijk en werd vervolgens rechter van Rens om een reactie gevraagd. Hoewel zij ontkende dat rechters de vordering tot voorlopige hechtenis onvoldoende kritisch beoordelen, bevestigden haar antwoorden niettemin de alom bekritiseerde constatering dat voorlopige hechtenis als regel wordt toegepast. Verontrustender is het beeld dat deze rechter oproept; een rechterlijke macht die gevangen lijkt in het politieke veiligheidsbeleid en de (vermeende) publieke opinie. “In de huidige politieke constellatie staan harde aanpak en vrijheidsbeneming voorop; ook rechters hebben zich daarnaar te voegen”, aldus Van Rens. Schorsing van de voorlopige hechtenis is in de huidige maatschappij alleen mogelijk als voorwaarden kunnen worden gesteld die veiligheid kunnen garanderen, want als het misgaat, “valt iedereen over ons heen.”

[1] 11 miljoen in 2012, een verdrievoudiging in tien jaar, aldus Ybo Buruma, ‘Onschuldig gedetineerd!’, NJB 2013/1929, p. 2129; inclusief de kosten van de hechtenis zelf zou dit neerkomen op 29 miljoen, zie ‘Schadevergoedingen ex-verdachten kosten 29 miljoen per jaar’, Volkskrant 8 mei 2015.