Geen dwangsom bij een veroordeling tot betaling van een geldsom …

boxTon Jongbloed

De dwangsom is in 1933 in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen en heeft in 1978 een verjongingskuur ondergaan waardoor het recht in België, Luxemburg en Nederland op dit punt gelijk luidend is. Het onderwerp dwangsom is nauw met het Molengraaff Instituut voor privaatrecht in Utrecht verbonden. Professor S.N. van Opstall (hoogleraar van 1 maart 1955 tot 1 september 1972) sprak een oratie uit getiteld `Enkele opmerkingen over de dwangsom’ en schreef in 1961 voor de  Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland een Preadvies betreffende de regeling van de dwangsom in het Nederlandse recht. Zelf ben ik al jaren in dit indirecte executiemiddel geïnteresseerd. Aanvankelijk wilde ik mijn proefschrift hieraan wijden (maar het onderwerp was al geclaimd door een Amsterdams advocaat die er nooit serieus werk van gemaakt heeft) en later heb ik artikelen, boeken en noten hierover geschreven.

Bij lezing van de rechtspraak in het algemeen verbaas ik me er wel eens over dat sommige rechtsvragen pas in een heel laat stadium opduiken en dat soms ook halsstarrig wordt vastgehouden aan de wetsgeschiedenis. Een voorbeeld van het eerste vormt HR 23 oktober 1998, NJ 1999/130 (Ontvanger/ ABN Amro): in geval man en vrouw in gemeenschap zijn gehuwd moet derdenbeslag voor een vordering op de man op een bankrekening die alleen op naam vrouw staat worden gelegd ten laste van de vrouw omdat zij dan geëxecuteerde is.  Een voorbeeld van het tweede is dat in de rechtspraak reisbureaus niet tot de middenstandsbedrijfsruimte worden gerekend omdat de toenmalige minister van Justitie 45 jaar geleden in de Tweede Kamer heeft gezegd `Uitbreiding tot reisbureaus lijkt mij niet nodig, omdat de plaatsgebondenheid daarbij nauwelijks een rol speelt. Men gaat naar een dergelijk bureau omdat men dat reisbureau kent of omdat de naam aanspreekt, maar men gaat niet juist naar een bepaald bureau om de plaats van vestiging’ en dat is nu vaste rechtspraak (vgl. HR 2 december 1977, NJ 1979, 103, Kroonenberg/Iberia, en HR 19 maart 1993, NJ 1993/508 Oriënt travel) hoewel de feitelijke situatie inmiddels ingrijpend is veranderd. Toen onderhield de (meer welvarende) klant een persoonlijke band met de reisbureaumedewerkers, nu ziet men een televisiereclame en boekt men online en gaat slechts naar het dichtstbijzijnde reisbureau als er speciale wensen zijn.

Ook wat betreft de dwangsom kan worden gezegd dat daar sommige vragen pas in een laat stadium zijn beantwoord. Over de schorsing van de verjaring bij de tenuitvoerlegging van dwangsommen gaf de Hoge Raad op 29 juni 2012, NJ 2013/508 (Kratos/Gulf Oil) en 509 (De Wit/Auto Campingsport Deurne) duidelijkheid.  Zo werd in de Kratos-zaak beslist dat de verjaring van dwangsommen niet wordt geschorst door het instellen van een rechtsmiddel tegen de veroordeling waarbij zij zijn opgelegd.

De laatste tijd vraag ik me af of de uitzondering opgenomen in art. 611a lid 1 Rv, dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom, niet zou moeten worden geschrapt. De wetgever heeft bij de betaling van een geldsom aan andere (executie)middelen gedacht: verhaalsbeslag en betaling van wettelijke rente (op dit moment 2%!). Maar soms wordt een (ex-)werkgever veroordeeld om nog achterstallig loon, vakantiegeld en overwerktoeslag uit te betalen. Dan gaat het soms maar om enkele honderden euro’s. Natuurlijk kan via verhaalsbeslag de vordering worden geïncasseerd, maar dan moeten tamelijk hoge kosten worden voorgeschoten. Waarom niet de uitzondering geschrapt en het aan de rechter overgelaten te bepalen of in dergelijke gevallen een veroordeling op verbeurte van een dwangsom van € 25 per dag niet effectiever is. Want uit HR 9 april 1949, NJ 1950/595 (Houtappel/Hoofdgroep `Verzekering’) en BenGH 9 juli 1981, NJ 1982/190 (Geers/Scholten) blijkt dat een dergelijke veroordeling wel mogelijk is als het niet het hoofdbestanddeel van de veroordeling betreft of als het gaat om betaling aan een derde. Met het schrappen wordt voorkomen dat nog meer rechtszaken worden gevoerd over de vraag of de uitzondering betrekking heeft op het verlenen van krediet (BenGH 24 mei 2004, NJ 2004/566, Commerzbank/Sabena) en het stellen van een bankgarantie (Hof Arnhem 24 november 2009, NJF 2010/14, Flevo manege’s/ Terhorst grondverwerving).

Ofwel: het is soms tijd om nieuwe wegen in te slaan en om ‘out of the box’ te denken. Daarom is het goed om binnen het Montaigne Centrum met onderzoekers samen te werken die een verschillende achtergrond hebben. Dan kunnen we nieuwe (onderzoeks)paden betreden en dat leidt tot nieuwe inzichten.